Waarop kun je als horeca-ondernemer letten?

Een grote parasol, een windscherm of een partytent: voor een horecaondernemer zijn het praktische voorzieningen om het terras aantrekkelijker en comfortabeler te maken. Juridisch ligt dat soms anders. Wat voor u terrasmeubilair is, kan onder de Omgevingswet worden aangemerkt als een bouwwerk. En als een overdekte ruimte gedeeltelijk met wanden wordt omsloten, kan zelfs sprake zijn van een gebouw.

Parasol met windschermen

Dat blijkt onder andere uit de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2025 over twee grote parasols met windschermen bij horecagelegenheid Madame Zitta bij recreatieplas De IJzeren Man in Vught.1 De rechtbank heeft geoordeeld dat de parasols mét windschermen een gebouw vormen. Omdat het plan niet past binnen het geldende bestemmingsplan, mocht de gemeente de omgevingsvergunning weigeren.

Voor horecaondernemers is de uitspraak relevant. Zeker wanneer u investeert in grote parasols, vaste terrasoverkappingen of windschermen, is het verstandig om niet alleen te kijken naar de vraag of het object verplaatsbaar of inklapbaar is. Ook de combinatie van terrasvoorzieningen en de manier waarop het object ter plaatse functioneert is bepalend of sprake is van een vergunningplichtig2 bouwwerk of gebouw.

Wanneer is iets een bouwwerk?

De Omgevingswet geeft een ruime definitie van het begrip bouwwerk. Het gaat om een constructie van enige omvang die direct of indirect met de grond is verbonden, daarop steunt en bedoeld is om ter plaatse te functioneren.3

Een belangrijk element is dat een constructie bedoeld is om ter plaatse te functioneren. Dit betekent dat het feit dat een object kan worden verplaatst, op zichzelf niet beslissend is voor de vraag of sprake is van een bouwwerk. Een object kan dus ook een bouwwerk zijn als het tijdelijk, demontabel of verplaatsbaar is (zie bijvoorbeeld: ECLI:NL:RVS:2023:2316 (ponton), ECLI:NL:RVS:2014:1331 (woonboot) ECLI:NL:RVS:2012:BW3908 (longeercirkel in paardenbak)).

Voor horecaondernemers is dit van belang. Een grote parasol die aan het einde van de dag kan worden ingeklapt, een tijdelijke terrasconstructie of een tentachtige constructie is daardoor niet automatisch géén bouwwerk.

Verankering en wandvorming: wanneer wordt een parasol een gebouw?

Een bouwwerk kan een gebouw zijn.  In de Omgevingswet is een gebouw gedefinieerd als: een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.4.

Bij terrasvoorzieningen spelen, gelet op deze definitie, vooral twee aspecten een belangrijke rol: de manier waarop de constructie op de locatie staat en de vraag of door andere voorzieningen een overdekte, gedeeltelijk omsloten ruimte ontstaat.

In zaak over Madame Zitta bij recreatieplas de IJzeren Man komt dit duidelijk naar voren. De parasols zijn verankerd in de grond, circa 11 meter bij 10,3 meter groot en ongeveer 5,5 meter hoog. Rondom de parasols zijn glazen windschermen geplaatst.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de parasols met windschermen een gebouw vormden. De constructie is van enige omvang en is met de grond verbonden, althans vindt daarop rechtstreeks steun. Door de windschermen ontstaat bovendien een voor mensen toegankelijke, overdekte en gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte.

Dat de parasols kunnen worden ingeklapt, vindt de rechtbank niet doorslaggevend. Ook het feit dat de parasols en windschermen afzonderlijk van elkaar kunnen functioneren, maakt geen verschil. De constructie moet namelijk op grond van vaste rechtspraak worden beoordeeld in de toestand waarin deze daadwerkelijk werd gebruikt: uitgeklapt en in volle omvang, dus inclusief de windschermen.5

Een vergelijkbare benadering is eerder terug te zien in een uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 17 april 2016.6 Ook daar speelt de combinatie van parasols en windschermen een rol. De rechtbank heeft geoordeeld dat door het bevestigen van de windschermen aan de parasols een gebouw ontstaat. Dat de schermen oprolbaar zijn en alleen bij slecht weer werden gebruikt, is niet beslissend.

Voor horecaondernemers is dit een belangrijk aandachtspunt: een parasol en een windscherm moeten niet altijd als twee afzonderlijke objecten worden bekeken. Juist de combinatie is bepalend voor de juridische kwalificatie.

Ook een zonnescherm kan een bouwwerk zijn

De aanwezigheid van wanden is, zoals hierboven opgemerkt, echter geen vereiste om van een bouwwerk te kunnen spreken.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in 2025 geoordeeld over een horecabedrijf met een langwerpig dubbel zonnescherm.7 Het zonnescherm staat op twee in de grond verankerde palen, is ongeveer 4,5 meter lang en 3 meter hoog en wordt ten behoeve van het terras gebruikt.  De voorzieningenrechter is van oordeel dat burgemeester en wethouders het zonnescherm terecht als een bouwwerk hebben aangemerkt en hiertegen handhavend mochten optreden.

Interessant is dat de voorzieningenrechter daarbij ook keek naar de verankering. Het enkele verwijderen van een verankering is niet zonder meer voldoende om een constructie buiten het bereik van de definitie van een bouwwerk te brengen.

Voor horecaondernemers betekent dit dat niet alleen grote overkappingen of volledig omsloten terrassen aandacht verdienen. Ook een groot, opgesteld zonnescherm of parasol kan onder omstandigheden als bouwwerk worden aangemerkt.

De partytent: tijdelijk betekent niet automatisch vergunningvrij

Voor horecaondernemers die met evenementen of seizoensgebonden terrassen werken, is de rechtspraak over partytenten interessant.

Het meest illustratieve precedent voor een feesttent of partytent is de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2007.8 De eigenaar had aangevoerd dat de partytent — bestaande uit staanders waaraan geluidsboxen konden worden bevestigd, een tentdoek en bevestigingsmiddelen, met een omvang van circa 12 m² — geen bouwwerk is, omdat deze geen duurzaam en plaatsgebonden karakter heeft. De Afdeling bestuursrechtspraak gaat daar niet in mee. Omdat de partytent jaarlijks gedurende een langere periode in het voorjaar en de zomer werd geplaatst, is deze bedoeld om ter plaatse te functioneren. Daardoor is sprake van een bouwwerk.

Ook de rechtbank Gelderland kwam in 2017 tot een vergelijkbaar oordeel over een partytent zonder wanden, die gedurende langere perioden op een perceel stond.9 De partytent is als bouwwerk aangemerkt. In die zaak leidde de bouwwerkkwalificatie er vervolgens toe dat de omgevingsvergunning werd geweigerd omdat het gebruik van de partytent niet paste binnen de geldende bestemming.

De rechtspraak laat zien dat de duur en herhaling van de plaatsing belangrijk kunnen zijn voor de beoordeling of sprake is van een bouwwerk. Een object hoeft niet permanent te worden verankerd met de grond om een bouwwerk te zijn.

Voor horecaondernemers betekent dit dat een eenmalige of kortdurende partytent op een terras — bijvoorbeeld voor een eendaags evenement, die vervolgens weer volledig wordt afgebroken en niet terugkeert — in beginsel geen bouwwerk vormt, omdat het element van “ter plaatse functioneren” dan ontbreekt. Zodra de tent echter jaarlijks of seizoensgebonden terugkeert, gedurende een substantiële periode blijft staan, verandert die beoordeling: dan kan wel sprake van een bouwwerk, met als gevolg dat een omgevingsvergunning voor bouwen is vereist en de tent bovendien aan het omgevingsplan moet worden getoetst.

Let daarnaast op eventuele regels uit de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente. Ook als een terrasvoorziening niet als bouwwerk wordt aangemerkt, kunnen gemeentelijke regels voor terrassen of evenementen van toepassing zijn.

Wat betekent dit voor uw terras?

Voor horecaondernemers is de boodschap niet dat iedere parasol een gebouw is. Dat zou te kort door de bocht zijn. De belangrijkste les is dat de feitelijke uitvoering en samenstelling van een terrasvoorziening bepalend zijn.

Let daarom vooral op deze zeven punten:

  1. Hoe groot is de terrasvoorziening?

Een kleine, losse parasol ligt juridisch anders dan een constructie van tientallen vierkante meters en meerdere meters hoog.

  1. Staat de constructie op of in de grond?

Denk aan palen, ankers, funderingen en andere bevestigingen. Maar ook zonder fysieke verankering kan sprake zijn van een bouwwerk als de constructie direct of indirect op de grond steunt en bedoeld is om ter plaatse te functioneren.

  1. Hoelang blijft de terrasvoorziening staan?

Een constructie hoeft niet permanent te zijn. Ook seizoensgebonden of herhaalde plaatsing kan relevant zijn.

  1. Zijn er windschermen of andere wanden?

Een windscherm kan ertoe leiden dat een overdekte terrasruimte gedeeltelijk wordt omsloten en daardoor als gebouw wordt aangemerkt.

  1. Werken de terrasvoorzieningen samen?

Beoordeel niet alleen de parasol, het windscherm of de tent afzonderlijk. Kijk naar de volledige terrasopstelling.

  1. Past de constructie binnen het omgevingsplan?

Dit is minstens zo belangrijk als de technische vergunningplicht. Een constructie kan technisch vergunningvrij zijn, maar planologisch niet zijn toegestaan.

  1. Zijn er aanvullende gemeentelijke regels?

Controleer naast het omgevingsplan ook de APV en eventuele regels voor terrassen, evenementen of gebruik van de openbare ruimte.

Conclusie

Een terrasplan dat commercieel aantrekkelijk en praktisch ideaal lijkt, kan omgevingsrechtelijk toch tegen een grens aanlopen. Controleer daarom vóór aanschaf en plaatsing of tijdens een handhavingstraject niet alleen de afmetingen van het meubilair, maar de volledige constructie én de juridische gevolgen daarvan.

Heeft u vragen over horecavergunningen of handhaving? Neem dan contact op met één van onze specialisten. Wij helpen u graag verder.

 

  1. Rechtbank Oost-Brabant, 24 april 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:2423.
  2. Zie artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet (omgevingsplanactiviteit), artikel 22.26 van de planregels van het tijdelijk van het omgevingsplan (bruidsschat) en artikel 5.1, tweede lid, onder a van de Omgevingswet (technische bouwactiviteit).
  3. Bijlage 1, Omgevingswet.
  4. Idem.
  5. Onder andere AbRS, 22 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2795
  6. Rechtbank Noord-Holland, 17 april 2016, ECLI:NL:RBNHO:2016:4054.
  7. AbRS, 14 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3887.
  8. AbRS, 4 juli 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA8739.
  9. Rechtbank Gelderland, 16 maart 2017, ECLI:NL:RBGEL:2017:1378.